|
Verslag topbeklimming Etienne
Hét bewijs: Etienne op de top met op de achtergrond de Mt. Everest
Inmiddels zit ik veilig onderaan de Cho Oyu in het Advanced Base Camp (ABC) op 5.700 meter. Mijn gezicht gloeit, mijn lippen zijn verschraald en kapot. Ik smeer dus allerlei middeltjes die de gevolgen van mijn geslaagde toppoging moeten verhelpen. Heel langzaam dringt tot me door wat ik heb gedaan; ik heb, met veel hulp van ons hele team, een van de hoogste bergen ter wereld beklommen. Helemaal tot op de top van 8.201 meter hoog. Zonder extra zuurstof. Het is zo snel gegaan...
Op 22 mei vertrekken we vroeg vanuit het ABC naar kamp 1. Daar waren we drie dagen eerder met het hele team naartoe geweest, ter acclimatisatie. Het 6.400 meter hoge kamp konden we pas bereiken na een flinke klim over een verschrikkelijk zware helling, met veel modder, ijs en puin. Pech velt Emely al vóór de helling tijdens deze tweede uitstap naar de flanken van de Cho Oyu. Niemand van ons (Richard, Paul, Marco en ik) kan zich verheugen op deze helling, zeker niet met de extra bagage die we nu met ons meedragen. Volgens onze sirdar Pema zouden we van de acclimatisatietocht naar kamp 1 alleen maar sterker geworden moeten zijn. Als ik voel hoe mijn lijf reageert op deze monsterlijk zware klim, boven de 6.000 meter, met een zware rugzak vol rommel, dan twijfel ik sterk aan zijn argument.
Eerste rustpunt na kamp 1
Het officiële plan is om na een nacht in kamp 1 door te stoten naar kamp 2. Dan helemaal af te dalen, om vervolgens weer helemaal van onderaf aan naar kamp 2 te klimmen. En dan naar de top via kamp 3. Het lijf zou dan optimaal geacclimatiseerd zijn, met een goede kans op een geslaagde toppoging. Als ik probeer in te schatten hoe ik me voel (niemand voelt zich tenslotte lekker op 6.400 meter) heb ik sterk het gevoel dat het 'nu moet gebeuren'. Dit wordt mijn eerste, enige en laatste toppoging op de Cho Oyu. Na de aankomst in de middag hang ik met Richard in een tent op kamp 1. Ik heb het koud, ik zweet, voel me als een vaatdoek. Plotseling voel ik mijn maag samentrekken! Ik heb het gevoel te moeten kotsen en zwetend zwaai ik mijn hoofd buiten de tent. Ik denk: als ik kots, is het afgelopen. Minuten lang hang ik mijn hoofd in de koude wind. Het helpt, want mijn maaginhoud blijft op zijn plek, veilig, diep van binnen.
Ik herstel langzaam, ik ben moe en lig in de slaapzak op het schuim van het isolatiematje. Richard smelt intussen sneeuw en voorziet ons van thee en het illustere adventure food. Op de verpakking van het adventure food staat een man, verpakt in een dikke jas met capuchon, die zelfstandig een potje eten kookt in een tent. Wij doen nu hetzelfde en wij scharen ons dus onder de avonturiers... Nergens op de verpakking staat echter te lezen dat de eetlust je totaal vergaat, zo rond de zes- à zevenduizend meter, zodat het overgrote deel van het avontuurlijke eten in een putje in de sneeuw verdwijnt. We eten een paar happen per persoon en met het verdwijnen van het daglicht, verdwijnt ook elke reden om niet helemaal in de zware donzen slaapzak te verdwijnen.
23 mei. Vroeg wakker, vreemd genoeg voel ik me niet slecht. De lichte hoofdpijn heb ik vannacht bestreden met een Paracetamolletje. We pakken alles wat we nodig denken te hebben in de grote expeditierugzak. Voor mij betekent dit een rigoureuze schifting, waarbij ik vele artikelen in kamp 1 achterlaat. In de rugzak neem ik o.a. de donsbroek mee; een artikel dat alleen voor een toppoging functioneel zal zijn. Het voelt een beetje vreemd, de rugzak vol te stoppen met spullen die alleen belangrijk zijn bij een daadwerkelijke toppoging. De vraag dringt zich op: 'kom ik daar wel aan toe?' Een vraag die ik moet negeren, aangezien klimmen met een lichte rugzak prettiger is, maar zinloos indien ik echt verder wil. Zwaar beladen gaan we op pad, na het eten van een paar happen adventure food-ontbijt, waarvan we het meeste weer toevertrouwen aan het putje in de sneeuw.
De tocht van kamp 1 naar kamp 2 staat bekend als het zwaarste stuk van de beklimming van de Cho Oyu. Dit zegt ook Pema: 'Als je kamp 2 in één dag haalt, dan ben je sterk genoeg om ook op de top te komen'. Deze redenatie komt op mij wat vreemd over, aangezien alle niet-geslaagde expedities toch mensen moeten hebben gehad die hoger kwamen dan kamp 1. Hoe dan ook, de tocht moet zwaar zijn.
We doen de zware expeditieschoenen met stijgijzers aan en stijgen snel vanaf kamp 1. Het eerste stuk gaat over een sneeuwhelling die langzaam steeds steiler wordt. We kennen de ijsval van foto's en veel verhalen. Toch zijn de foto's zo vertekenend dat we onderaan de ijsval geen goed beeld hebben van wat we kunnen verwachten. Vlak voor me klimt Marco en ik hoor hem vloeken. Valt dus niet mee, denk ik. Ik bevestig mijn Jumar (stijgklem) aan een van de touwen die door de ijsval omlaag hangt. Ik plaats hem zo ver mogelijk omhoog en schop mijn stijgijzers in het blauwe ijs. Ik strek de benen en klim zo een stukje omhoog. Mijn zware rugzak doet me zoeken naar evenwicht. Ik zwengel een beetje aan het touw dat weinig veiligheid lijkt te bieden bij een val.
In mijn rechterhand heb ik mijn pickel en met een flinke zwaai sla ik die boven mij in het ijs. Dit extra vaste punt geeft meer vertrouwen in de tocht omhoog. Ik schop de stijgijzers weer in het ijs, stap omhoog, verplaats de Jumar en hak de pickel weer hoger in het ijs. En zo kom ik hoger en hoger. Ik hang steeds steiler, kijk achterom en schrik, ongeveer op hetzelfde punt waar ik Marco hoorde vloeken. 'Dit is steill!'. Een vloek ontschiet mij ook, ik hang bijna verticaal. Terugkeren is geen optie, daarvoor is de wand te steil, het sneeuwveld eronder ook en de persoon die zich achter mij inbindt in het touw te dichtbij. Ik hang stil, een wolk van ijs en sneeuw slaat langs mijn gezicht. De koude ijsdeeltjes irriteren in mijn nek. Ik dwing mezelf de vermoeidheid en het zuurstoftekort te negeren, en door te klimmen in opperste concentratie. Ik hak en schop me omhoog tot ik bovenaan de ongeveer 30 meter hoge ijsval ben. Bovenaan zit ik op handen en knieën, hoofd omlaag, zuig mijn longen vol met de ijskoude, zuurstofarme lucht. Zo zit ik hijgend bij te komen, terwijl een ander zich alweer achter mij omhoog worstelt. De ijsval is bedwongen, maar het vooruitzicht van de lange klim naar kamp 2 lijkt onmogelijk.
Klim door de ijsval tussen kamp 1 en 2
Gezamenlijk pauzeren zou prettig zijn, even de ervaringen delen, even bijkomen. Ver voor mij zie ik Marco en sherpa Dawa lopen. Ik loop met Pema, maar de afstand is te groot om met Marco en Dawa te rusten. Pema en ik ploffen in de sneeuw en gunnen onze lijven enige rust. We willen wachten op Richard en Paul, die nog achter ons in de ijsval zitten, maar het duurt te lang; we worden te koud. Nadat we wat gedronken hebben, gaan we weer op pad. Een enorm sneeuwveld over, steeds hoger op de noordwand van de Cho Oyu. Ongelooflijk, we bevinden ons rond de 7.000 meter en we lopen nog steeds! Zouden we werkelijk zo hoog kunnen komen?, zweeft het door mijn hoofd. Het leven wordt heel overzichtelijk: niets hypotheek, nieuw zorgstelsel, of nieuwe baan. Gewoon: de ene voet voor de andere zetten, ademhalen, rustig blijven. En zo passeren we vele hoogtelijnen op de kaart, eindeloos bestudeerd en besproken. Tot we, vroeg op de middag, de gele koepels zien staan, hoog boven ons. De gele koepels betekenen kamp 2, op 7.100 meter. Ze betekenen ook het einde van de wandel- en/klimdag, ze betekenen rust. Toch zit er nog veel tijd tussen het waarnemen van de gele koepels en het betreden van kamp 2. Ik probeer in te schatten hoe vaak ik nog moet rusten en op adem komen voordat ik in kamp 2 arriveer. Ik gok op vier keer. Ik strompel omhoog en zodra ik tussen de tenten sta, realiseer ik me dat ik zeker tien keer heb moeten stoppen om te rusten. Om me heen staan zes gele tentjes. Ik hoor gehoest en gerochel uit enkele tentjes omhoog komen. Het klinkt hier allemaal niet gezond, maar ik voel me niet slecht. Marco kijkt vanuit een van de gele koepeltjes naar mij en nodigt me uit bij hem in de tent te komen. Zelfs het stukje naar hem toe lopen, valt me zwaar. Wat kan je nog op 7.100 meter? Voordat je de tent kunt binnenkomen, moeten de zware expeditieschoenen uit. Dit kost al zoveel moeite op deze hoogte dat je buiten adem bent terwijl de andere schoen nog aan je voet zit. Niets kun je op 7.100 meter! Behalve dan in de slimme kookstelletjes sneeuw smelten voor thee en... de adventure food-maaltijden. Ik voel nu geen behoefte mijn maaginhoud aan de sneeuw toe te vertrouwen en toch lukt het niet om meer dan een paar happen van de toch niet smakeloze maaltijden naar binnen te proppen. Het lijkt alsof je een heel weeshuis zou kunnen voeden met een paar zakjes adventure food als dat weeshuis op 7.000 meter zou staan.
Eenmaal in kamp 2 komt er een belangrijke informatiestroom op gang met het basiskamp. Onderwerp: het weerbericht. Jack, Remco en Emely verschaffen ons team op de berg de cruciale informatie. Ze informeren bij de expeditie naast ons in het ABC, die van het Indiase leger. Zij bellen met Londen en New Dehli. Gecombineerd met onze weersinformatie van Meteoconsult komt ons ABC tot een belangrijke conclusie: het weer is vandaag nog goed, maar zal donderdag de 25e slecht zijn. Hevige sneeuwval is voorspeld, waarna het weer verslechtert. Het voorgenomen plan van aanpak - slapen in kamp 2, dan doorstoten naar kamp 3, daar slapen en dan een toppoging - betekent nu klimmen en / of afdalen in slecht weer. Morgen is het mooi weer, dus in overleg met ons basiskamp en iedereen die nu in kamp 2 is, bepalen we dat vandaag doorklimmen de beste optie is. We maken het plan in twee teams te gaan klimmen. Richard, Paul en Pema vormen een team en Marco, Dawa, Nima en ik vormen het andere team. We kruipen in de tent om zoveel mogelijk rust te pakken, voordat we om elf uur 's avonds op pad gaan. We doen een aantal korte slaapjes, drinken wat en als het heel erg donker is en ieder mens met gezond verstand zich veilig in huis ophoudt, trekken wij onze donsbroek en -jas aan, doen de expeditieschoenen aan,en de muts op. Zo zijn we gewapend tegen de kou. Iets na elf uur stappen Marco en ik uit de tent. In het licht van de fantastische Petzl hoofdlampjes gaan we op stap.
Het is aardedonker. Het zicht is beperkt tot een cirkel van ongeveer drie meter in doorsnee, die onstaat door het hoofdlampje. Nima loopt voor me. Nima is een berensterke sherpa die onder andere elf keer op de Mount Everest heeft gestaan. Achter me lopen Marco en Dawa. Het donker slokt ons op, de voetstappen in de sneeuw en over de rotsen maken een rustgevend, bijna geestdodend geluid. Het is donker, niets om naar te kijken, niets dat de geest kan afleiden van het klimmen. Een paar stappen, dan stoppen om op adem te komen. In dit ritme is het goed doorstampen naar grote hoogten. De lange klimdag van 23 mei gaat over in 24 mei. In het donker ontmoeten we een sliert hoofdlampjes: de Indiase expeditie klimt met een kleine tien man vanuit een iets andere richting naar kamp 3. We sluiten achteraan de rij, van wie zeker de helft met extra zuurstof loopt. We lopen omhoog, tot plotseling Marco aangeeft te willen terugkeren. Zijn tenen zijn koud en worden niet meer warm; op deze hoogte een gevaarlijk verschijnsel. Ik maak een afweging: alleen doorgaan vind ik niet leuk, maar ik heb sterk het gevoel dat dit mijn enige kans is ooit een achtduizender te beklimmen. Bovendien heb ik nu de kans onze expeditie te volbrengen en de stichting Tibet naar school te verblijden met de volle sponsorpot. Ik besluit dus alleen door te gaan en neem in het donker afscheid van Marco en Dawa.
Nima en ik klimmen door en ondanks dat de afstand tot het Indiase team niet groot is, valt me op dat we het gat dat gevallen is niet meer kunnen dichten. Uren gaan voorbij, we passeren plotseling kamp 3; een zeer onaangename plek op een verijsde graat. Hier zien we ook een aantal kapotte tentjes, onder de sneeuw. Een teken van hoe onheilspellend het kan spoken op deze grote hoogte. We klimmen door, tot we in het schijnsel van de hoofdlampen voor een grote rotswand staan. Met stijgijzers die schrapen over de kale rotsen, schoppen de Indiërs vóóoor ons heel wat stenen en gruis los. Met Nima voor mij klimmen we de rotsspleet door. Vreemd en vermoeiend om nu tegen een rotswand aan geplakt te zitten, terwijl we uren lang in een donkere zee van ruimte liepen. Ik denk niet na, klim gewoon door de rotsband, zó geconcentreerd dat ik eigenlijk geen tijd heb om na te denken of ik last heb van een tekort aan zuurstof. Met de Jumar gezekerd kom ik bovenaan de rotsband. Het blijft steil en ik loop gezekerd nog een stukje door naar een nieuw stuk rots. Ook die moet beklommen worden en ik ontwijk het vallende steen en gruis van de Indiërs voor me. Bovenaan de rotsband kom ik even bij, waarna we doorlopen in het donker.
En dan wordt het langzaam lichter. De zon komt op, een machtig gezicht vanaf een enorme hoogte. Het duurt niet lang of ik kan delen van de Cho Oyu herkennen, maar nu vanaf boven gezien. Nu het licht wordt, zie ik dat ik al vele honderden meters boven de bekende 'gele band' zit. Dat was dus de middennachtelijke klim door de rotsband. De gele band vind je over de hele breedte van de Himalaya. Het is een specifiek soort gesteente, dat onder bepaalde lichtomstandigheden geel kleurt en een begrip is bij de bergbeklimmers omdat de band zo hoog ligt; rond de 7.600 meter. En nu kijk ik er van bovenaf op. Ongelooflijk! Ik krijg het gevoel dat de top binnen mijn bereik ligt!
Langzaam klimmen we door, de steilte neemt af, wat bij deze berg betekent dat we in de buurt van de top beginnen te komen. Uit verhalen weet ik dat de top van de Cho Oyu een sneeuwveld moet zijn van wel twee hectaren groot. Ik zie een glooiend sneeuwveld met aan het eind rotsen; dit zal de top zijn. Ook Nima stelt me gerust door te zeggen dat het 'not far' meer is. Het lopen wordt nu heel erg zwaar. Ik had verwacht dat ik misschien twee stappen kon zetten, waarna ik weer zou moeten uithijgen. Het blijkt anders te werken: ik kan wel tien tot vijftien stappen zetten, maar de uitputting die daarna toeslaat is enorm. Het lijkt na iedere tien passen wel vijf minuten te duren voordat ik weer op adem ben. Na het oversteken van het sneeuwveld, met voor mij nog enkele klimmers die het zichtbaar even zwaar hebben, verschijnt een minstens zo groot kaal rotsgebied. Het lopen met de stijgijzers over die kale rotsen is vermoeiend, demotiverend. Ik struikel veel. Boven de 8.000 meter kost me dat zoveel energie dat ik het wel best vind zo. Ik zou willen overleggen met het basiskamp, maar gelukkig kunnen we geen contact krijgen. Nima weet me te stimuleren ook de laatste hoogtemeters te overwinnen en hij sleurt me in kleine tussenpozen naar een vlakte met kale rotsen en plakken ijs. Tien stappen, rusten, dan weer tien stappen, en weer rusten.
Van de top van de Cho Oyu is bekend dat hij moeilijk te vinden is en dat je pas op de top bent als je de Mount Everest kunt zien. Hij was niet moeilijk te vinden, er loopt een paadje door de sneeuw naartoe en hij is duidelijk gemarkeerd met opeengestapelde stenen en gebedsvlaggen onder een kobaltblauwe lucht, die zo zwaar lijkt dat hij op je neerdrukt. Het blijkt helemaal waar dat je de Mount Everest, met zijn 8850 meter, pas op het allerlaatste moment kunt zien liggen. Het is een vreemde top, in feite meer een vlakte, met langs de rand een overweldigend panorama. Overal enorme bergen, gletsjers, diepten en valleien waarin zich wolken vormen. Ik bekijk ze alsof ik vlieg, maar genieten op deze hoogte is moeilijk. Klimmen zonder extra zuurstof beïnvloedt sterk mijn beleving. Ik voel me niet enorm blij, euforisch of opgelucht, zoals ik zelf had verwacht. Natuurlijk ben ik blij en trots, maar mijn eerste gedachten zijn nauwelijks bij iets anders dan 'de afdaling'. Ik probeer het ABC op te roepen met de portofoon, maar ondanks veel proberen, lukt het ons geen contact te krijgen. Ik bedenk nog net op tijd dat het leuk is een aantal foto's te maken en met hulp van Nima maken we foto's voor thuis en de website. Ik ben moe, kapot zelfs, maar toch voel ik me niet echt slecht; geen hoofdpijn, misselijkheid of algehele malaise, waarvoor ik enigszins bang was.
Na een verblijf op de top van maximaal een kwartier, beginnen Nima en ik aan de tweede helft van de beklimming van de Godin van het Turkoois: de afdaling. Omhoog kijken naar een berg is altijd een heel andere ervaring dan omlaag kijken. Het kijken in de diepte langs sneeuwvelden en rotswanden drukt me met de neus op de realiteit: fouten kunnen grote gevolgen hebben. We hebben allemaal nog het voorbeeld van een Duitse klimmer vers in gedachten, die even voordat wij arriveerden in ABC was omgekomen bij een val, op de terugweg van de top. Hoe hij precies is omgekomen weet niemand, maar dat een ongeluk in een klein hoekje zit, is ons wel duidelijk. Ik daal supergeconcentreerd af, maar kan door de vermoeidheid niet voorkomen dat ik af en toe struikel over los gruis of rotsen met een dun laagje ijs erop. Ik ben dan ook al zo'n 24 uur in (klim)touw, met slechts een aantal uren pauze, op enorme hoogte. Iedere keer als ik struikel, neem ik me voor nog beter op mijn voeten te letten, wat een beetje lastig is door de grote skibril die ik draag.
We dalen langs de vele vaste touwen die zijn bevestigd door de verschillende expedities. Eigenlijk is de hele klimroute goed gezekerd. Probleem is echter dat de safety lines die de sherpa's hanteren, weinig garantie bieden op enige vorm van safety’, of te wel veiligheid. Ze gebruiken een carabiner aan een touw of bandslinge, bevestigd aan de klimgordel. Deze carabiner haken ze aan een 'veiligheidstouw'; een klimtouw dat al gauw vijftig tot honderd meter langs de wand omlaag hangt. Zou je vallen, dan zou je dus eerst vijftig tot honderd meter langs de wand omlaag stuiteren, langs rots en narigheid, met stijgijzers en pickel die in het rond zwaaien, om vervolgens abrupt tot stilstand te komen aan het eind van het touw. De kracht waarmee dit zou gebeuren, zou zo groot zijn dat je ruggengraat moeiteloos breekt. Als je valt, moet je maar hopen dat je niet in de kobalt blauwe hemel verdwijnt en je dus contact met de aarde blijft houden. Een val is dus geen al te opbeurend vooruitzicht en alle reden voor mij om opperste concentratie te blijven opbrengen. We klauteren uren omlaag, tot het punt waar Nima op de heenweg, onder enig protest, zijn zuurstoffles en -masker achterliet. Hier krijg ik even de gelegenheid te ervaren wat extra zuurstof doet met het belevingsvermogen. Veel. Ik merk meteen dat ik 'opleef', de omgeving veel meer kan waarderen, me beter voel. Nadeel is echter dat ik nu met zuurstofmasker en skibril op, me in een soort koker bevind. Ik zie alleen nog rechtuit en om af te dalen, moet ik geforceerd naar beneden kijken. Mijn perifere waarneming is zo verstoord dat ik nauwelijks nog behoorlijk kan lopen en met nog vele honderden hoogtemeters om af te dalen, lijkt me de keuze tussen 'opleven' en 'doodvallen' snel gemaakt. Ik lever dus snel het zuurstofapparaat bij Nima in en we dalen verder af, op naar de gele band.
Etienne daalt af naar Kamp 2
Dit rotsklimgedeelte is vrij lastig. Hier moeten we abseilen, tussen de rotswanden door, onhandig door de stijgijzers. Gelukkig is het nu veel rustiger dan vannacht, toen we de Indiase ploeg voor ons hadden. Ik volg met opzet traag achter Nima. Want ik wil geen val maken, doordat te snel of onzorgvuldig handelen. Ook tijdens deze afdaling krijg ik instructies van Nima, waarbij hij nadruk legt op de safety line. Ik wil hem graag geloven, hij heeft zoveel ervaring, ik heb behoefte aan een gevoel van veiligheid, maar ik geloof absoluut niet in het nut ervan. Voorzichtig laat ik mij zakken aan het dunne touwtje, dat doorgaat voor abseiltouw. Na twee korte afdalingen sta ik aan de voet van de gele band, weer een technisch lastig stuk overwonnen. De wandeling omlaag, via kamp 3 naar kamp 2 kan beginnen. Toch nog zo'n 500 meter omlaag, door een enorm sneeuwveld, dat vanuit het ABC prima te volgen is. We lopen en de vermoeidheid begint zijn tol te eisen. We rusten regelmatig, hoewel kamp 2 zo dichtbij lijkt. Langzaam naderen we Paul, Marco, Richard en Dawa, die na een rustdag op 7.100 meter hopelijk sterk genoeg zijn voor een poging later op deze dag. We zien de kleine gele tenten steeds iets groter worden, totdat we op 'roepafstand' zijn genaderd.
Richard, Marco en Paul staan met de armen in de zij op mij te wachten. Ik strompel binnen op kamp 2 en plof neer op een sneeuwricheltje. Ik ben kapot. De mannen feliciteren mij en spreken hun bewondering uit. Richard zit al snel naast me met een open portofoonverbinding met het ABC. Emely, Jack en Remco schreeuwen hun felicitaties door de luidspreker. Wat een aandacht! Ik stotter wat woorden over hoe het was en wat ik heb meegemaakt, maar besef nog lang niet wát ik in eigenlijk heb gedaan. Ik heb het gevoel de 'opdracht te hebben volbracht', terwijl ik helemaal geen opdracht had om te volbrengen. Ik had alleen motivatie, taaiheid en het geluk dat ik niet door malaise ben geveld, zoals veel anderen. Ik vertel, beantwoord vragen, praat door de portofoon, ben blij, opgelucht en drink de mij aangeboden warme dranken. Ik realiseer me opeens dat ik de hele tocht heb gedaan op minder dan driekwart liter water en één Snicker. En net na elke gebeurtenis, groot of klein, gaat ieder weer zijns weegs. Het leven in kamp 2 wordt weer oppakt. Ik blijf op mijn plekje zitten, omdat ik geen energie heb om ervanaf te komen. Marco en Richard besluiten geen nieuwe toppoging te ondernemen en gaan van kamp 2 terug naar het ABC. Eén tent wordt opgebroken, Paul en ik gaan nu samen in een tent. Paul wil vanavond weg, ook om elf uur, om hetzelfde te doen als ik, maar met gebruik van extra zuurstof. Ik duik zo snel mogelijk in de tent, onder het dons, waar Paul mij goed verzorgt met thee en eten. De middag gaat over in de avond. De overgrote meerderheid van het adventure food maaltijd verdwijnt wederom in een putje, ditmaal in kamp 2 op 7.100 meter hoogte.
De twee 'toppers': Paul en Etienne in kamp 2
Ik slaap goed en zodra ik wakker ben, het is inmiddels 25 mei, ontdek ik dat de slaapzak naast me nog altijd leeg is. Dit betekent dat Paul zeer waarschijnlijk, net als ik gisteren, nu van bovenaf op de gele band kijkt. Nima en ik hebben een lange afdaling voor de boeg. We worden vergezeld door Pema, die gedurende onze toppoging in kamp 2 bleef. We beginnen met een lange afdaling door het enorme sneeuwveld, totdat we aankomen bij de ijsval. Ik maak me enige zorgen over de afdaling door deze fraaie, maar bijzonder steile wand. Abseilen moet ook hier langs akelig dunne touwtjes, waarbij de enige verzekering voor veiligheid moet komen van de eerder besproken safety lines. Zodra ik in het touw hang, schop ik iedere keer mijn stijgijzers in het ijs. Een paar stapjes omlaag, dan even stil hangen en omlaag kijken of er nog voldoende touw is. Zo kom ik langzaam steeds lager, totdat ik onderaan de ijsval sta. De grond onder de voeten loopt nog altijd steil af. Een sherpa van een andere expeditie helpt me in te binden op het andere vaste touw, dat over het sneeuwveld omlaag gaat. Hij bindt me in, middels de voor hem beproefde techniek van ... jawel, de safety line. Ik loop omlaag, maar merk nu wat wordt bedoeld met de uitspraak 'op grote hoogte herstel je niet meer'. Je kunt slapen, maar je komt niet meer op kracht. Dus nu ik zoveel uren op de berg aan het klimmen en afdalen ben, begint de energievoorraad behoorlijk op te raken. We dalen verder af, terug naar het nu duidelijk zichtbare kamp 1. Plotseling kraakt de portofoon en Paul meldt dat hij ook op de top is geweest. Blije ABC'ers schreeuwen door de portofoon en ook ik feliciteer Paul, blij dat ik al ver ben afgedaald. Vlak voor kamp 1 is er nog een heel klein klimmetje. Zodra ik vanaf 8.201 meter begon te dalen, werden de effecten van weinig zuurstof steeds kleiner. Maar nu we op 6.400 meter nog even moeten klimmen, merk ik dat het bijna niet gaat! Grappig is dat. Drie keer moet ik pauzeren om dat kleine rotheuveltje vlak voor de tenten te nemen.
In kamp 1 kan ik de expeditieschoenen verwisselen voor de gewone wandelschoenen. Ik pauzeer, terwijl Nima en Pema kamp 1 grotendeels afbreken: expeditie (bijna) afgelopen. Ik laat nog wat zaken achter in kamp 1, maar kan niet voorkomen dat ik toch met een zware rugzak verder zal moeten lopen naar het ABC. Wat ik meesjouw is toch erg vreemd. Zo draag ik een kilo van mijn eigen urine mee, die vannacht keihard bevroren was in de plasfles. Langzaam daal ik de vreselijke puinhelling af, 300 meter omlaag. Langzaam, helemaal tot aan de voet van de Cho Oyu. Hier zit een grote groep van de Indiase expeditie te rusten, vergezeld door de neef van Pema, de vrolijke en vooral praatgrage Sirdar. Zodra ik beneden ben, feliciteren sommige Indiërs mij. Hun felicitaties komen oprecht over. Vlak na mij komt een aantal Zwitsers naar beneden en de manier waarop zij de Indiërs feliciteren, klinkt meer als een felicitatie aan het eigen adres. Ik besluit niet te lang te blijven aangezien ik toch niet uitrust. Langzaam strompel ik over de morene, struikelend over losse rotsblokken. Ik loop uren en wordt halverwege de tocht over de morene nogmaals uitgenodigd bij de groep Indiërs. Ik krijg een gekookte aardappel aangeboden, en tot mijn verbazing komt Nima (onze keukenhulp, niet te verwarren met Nima de klimsherpa) met warme juice aan. We pauzeren en eten wat. Pema biedt aan mijn rugzak door Nima (de keukenhulp) te laten dragen. Ik gooi mijn trots overboord en geef mijn rugzak af. Toch kan ik onmogelijk voorkomen dat de gehele ploeg snel een behoorlijke voorsprong opbouwt.
En dan kom ik stapje voor stapje dichterbij het ABC. Ik herken de markante rots, vlak boven het ABC, waar de lijnen met gebedsvlaggen wapperen. Door de beginnende moesson is er door smeltwater een rivier ontstaan, die je niet kunt oversteken is. Ik moet door het losliggende puin van de morene een weg zoeken. Het lukt. Ik kom dichterbij het ABC en zie Jack zitten op een rotsblok, camera in de hand. Ik ben kapot, krijg mijn ene been nauwelijks voor de andere tot ik bij Jack ben. Ik hoor de emotie in zijn stem. 'Wat een prestatie, man!', zegt hij, terwijl ik in zijn armen val. Samen strompelen we de laatste meters naar de gezamenlijke tent. Ik word opgewacht door alle anderen en één voor één omhels ik iedereen, blij dat ik eindelijk terug ben van deze monstertocht. Ik word behandeld als een held, krijg een stoel aangeboden en warme juice. Vol bewondering staan de anderen in een kringetje om me heen. Ik word geknuffeld, gefeliciteerd, opgevangen. Ik word er verlegen van. Arjun, de kok, vraagt wat ik wil eten en ik denk dat hij 's avonds bedoelt. Ik antwoord dat ik wel Dal Bhat wil eten, de Nepalese 'boterham met kaas'. Direct duikt hij de keukentent in en schept het rijstgerecht op een bord. Samen met de vermoeide Pema en Nima (sherpa) eet ik mijn bordje leeg. Ik merk dat ik nu al meer trek heb in eten, terwijl ik nog geen half uur in ABC zit. Ik probeer de draad van het 'normale' leven in het ABC weer op te pakken, maar mijn lijf is leeg. Na het avondeten, overigens weer met Dal Bhat, ga ik naar mijn tent. Ik kruip in mijn slaapzak en val in slaap.
Etienne herstelt (langzaam) in vooruitgeschoven basiskamp
Midden in de nacht lig ik een tijd wakker met een euforisch gevoel:'Ik heb de Cho Oyu beklommen, ongelooflijk' Ik denk aan mijn vrouw Brigitte en mijn kinderen Sjoerd en Mira en word overvallen door emotie. Ik heb op de top gestaan van de zesde hoogste berg ter wereld en ik ben zo blij. Thuis in Alkmaar wappert de vlag. Door de opwinding en mijn hoge hartslag duurt het enige tijd voor ik de slaap weer kan vatten. Ik heb de Cho Oyu beklommen: geweldig!
Etienne
reageer
naar de top
naar het huidige dagboek
|
|